Het is showtime…
Mijn naam doet er niet toe, ik ben gewoon één van de zovele zielige zakken die aandacht wil door heel luid te roepen. Op die manier, kijken ze naar mij, praten ze tegen mij. Kunst. Wat een kutwoord, niet dat ik het effectief veracht, maar wie kan effectief met trots zeggen, of beter wie durft hier nu te zeggen van: ik maak kunst, jij onwetende klootzak. Geen idee, misschien iedereen, doet het ertoe?
U, lieve lezer, u doet er ook niet toe. Inderdaad, wie zijn wij om ons te plaatsen boven de rest van deze ratten? Als het erop aan komt en onze oogjes zachtjes uitdoven in de koude Dode zee zijn we allen gelijk. Inderdaad fucking vrede en liefde voor heel de fucking fragiele aardbol. Nee, eigenlijk fuck iedereen, fuck u moeder en fuck mij, het interesseert me allemaal niet meer. De trotse lama die ik ooit geweest ben is nu veranderd in die dwergpekinees die toch nog een lama tracht te zijn. Dit heeft voor u totaal geen logica. En u denkt waarschijnlijk: waar is die behaarde baardaap toch over bezig? Ik ben bezig over de tentoonstelling van Sint-Lucas : It’s Showtime. Ha, inderdaad. Geen raadsel, geen poëtische schijterij.
Hier zit ik dan (zonder schijterij weliswaar) op de koude treden van deze asgrijze kerk. Familieleden, liefkes en andere idiote kwijlkijkers wandelen me voorbij om hun kindje, hun schatje of hun geadopteerd scheefnekje te feliciteren. Voor wat? Het is zinloos, ik voel me zinloos. Ik ben geen kunstenaar, of wat dan ook dat dit idioot papiertje in mijn achterzak me wil wijsmaken. Dit is niets meer dan een fucking fake idioot showtje. Zolang ik en jij maar het gevoel hebben effectief iets bereikt te hebben hé. Zolang de mama haar subtiel applausje geeft terwijl de vader goedkeurend knikt. Zolang het vriendinnetje denkt dat ze met de nieuwe Da Vincikloot tezamen is. Ah wat een bullshit toch. De locatie op zich. Een kerk. Mijn werk hangt in een kerk (Mijn excuses voor het rijmpje, ik probeer echt niet vrolijk of wat dan ook te zijn). Komaan, zijn we al niet voorbij het tijdperk waarin aderlaten en geselingen hip waren?
Mijn excuses, ik begin hier echt ongelofelijk pissig te worden, hier gewoon zittend op die door-misdienaarvoetjes-afgesleten trappen. Misschien is het die kutzon. Die zon werpt momenteel de schaduw van mijn ziekelijk lijf naar enkele jongere mensen die daar staan, kijkend, kwijlend, hangjongeren. Ah wat vragen ze mij toch: ‘ En ben je tevreden met de tentoonstelling?’ Mijn kelderkop begint te denken hoe ik dit zou aanpakken: ‘Zou ik ze mijn waarheid vertellen of hen het algemeen casual kalmerend speechke geven met de vriendelijke glimlach erbij als kers op de rijsttaart?’ Wat denkt u? Of beter wat kiest u, beste lezer?
A: De pessimistische klojo met niks te verliezen.
B: Happy hendrik in zijn herdersoutfit, klaar om het geluk te verspreiden.
Uw keuze is altijd belangrijk, mijn schat, maar wees bewust van het feit: keuzes zijn definitief.
Volg A of B. Punt.
A: Ja, om eerlijk te zijn, ik vind dit heel kutgedoe gewoon onnozel, dit trekt op niks. Dit is gewoon een soort van fake gedoe om ons te doen geloven dat we effectief iets bereikt hebben met de keuze onze ziel te verkopen aan Sint-Lucas voor vier jaar. Uiteindelijk, ik voel mij leeg, ik heb het gevoel dat dit niks meer of minder is dan een rommelkot in het huis van de Heer, gevuld met ‘kunst’. Met andere woorden, blijf maar steken in die eerste jaren van uw opleiding, daarin heeft u nog het gevoel effectief iets te bereiken met uw geklungel en gepruts. Eéns het einde in zicht is, is er niks dan dat vage raam waar je doorstaart en niks ziet buiten die zinloze boom in de eindeloze mist. Ik weet het, die metafoor slaat op niks. Wat ik wil zeggen is dat éne woord: zinloos. Het is gewoon enorm frustrerend te denken dat dit zowat het een eindpunt moet zijn, dat dit de apotheose moet zijn van onze 4 jaar hier, het is toch zo fucking zielig, echt. Ik heb zin om iemand te slaan, hard, op zijn neus, tot hij zijn eigen adem ruikt via zijn keelholte. Ik ben kwaad. Geef het op, dat is mijn raad.
B: Wat ik ervan vond? Goed! Echt, het was fijn naar dit eindpunt te werken en mijn werk effectief eens in een andere ruimte te kunnen bekijken dan mijn atelier. Het geeft me een frisse blik en terwijl krijg ik ook feedback van buitenstaanders. Dit zorgt ervoor dat deze eindejaarstentoonstelling voor mij een vruchtbaar gegeven is. Ik had nooit gedacht dat dit zo majestueus zou worden aangepakt. Komaan, het huis van God, vertel jij mij eens een betere plek om ons werk te tonen? Aha…Inderdaad. Kortom, ik ben gelukkig. Toen ik de eerste keer binnenkwam met mijn ouders en vrienden, ik straalde echt, ik kon gewoon mijn glimlach niet bedwingen. Het leek zo perfect. Hoe moet ik het beschrijven?
Het is alsof je gekregen hebt waarvoor je al die jaren gewerkt hebt, je krijgt een voldoening, dieper dan welke voldoening ook. Echt, ik zou zeggen, kijk er maar naar uit. Werk hard en lang, want het einde is beter dan wat je in je wildste dromen kan voorstellen. Ik ben trots hier te kunnen zijn en hiervan een deel uit te maken. Mijn god, echt. Ik heb zin om te dansen, mensen te knuffelen en gewoon gelukkig te zijn. Ik ben blij! Ga er ten volle voor, het is geweldig.
Ja, hopelijk heeft u voor A gekozen, anders zal deze tekst een vrij bizarre overgang hebben. Wat uw fout is natuurlijk, niet de mijne. Nee, ik geef u de keuze, als u de foute keuze maakt, niet mijn probleem…
Daar zit ik dan, aan die grauwe granieten kutkapel, bekeken door jonge ogen die zich stil proberen in te graven in mijn mentale loopgraven.
“Zijn die lauwe woorden van die bebaarde boer de littekens van het leven, of zit er effectief waarheid in die pessimistische panische kijk op de kunstshow?”
Eerlijk gezegd mij maakt het niet uit wat u denkt. Het is gewoon beter mensen te waarschuwen voor het slechtste, zo hebben ze minder te verliezen.
Ik kan hier enkel reflecteren, op die derde trap, en mijn mening uitbraken. Hopelijk luistert iemand, anders ben ik één van de zovele zotten in Gent en moet ik mijn vakgebied omgooien naar de Outsider art. Wat enkel voordelen met zich meebrengt natuurlijk, zo ben ik speciaal, de outsider, dat stil vreemd levend standbeeld die in de schaduwen de mensheid begluurt en zijn gal uitspuwt over hun onschuldige kopjes.
Drie uur is voorbij gegaan, negen sigaretten verder hier in die vuile grijsstraat in Gent, en de enigen die hun schaduwen over mij wierpen zijn ouders, oude mensen en docenten. Poging gefaald zou ik zeggen. Ja, natuurlijk de galeristen, museamensen en ander elitair volk zal zich waarschijnlijk vermomd hebben om niet op te vallen tussen de plebs.
Het is hier te warm, die zon blijft branden. Tijd voor nog eens binnen te kijken, naar mijn kunstkindjes. Enkele middelleeftijd-mensen staan te kijken naar mijn middelmatig werk. Waarom middelmatig werk? Ja, heel kort uitgelegd: Alles is middelmatig binnen het kunstonderwijs. De lange uitleg, ja inderdaad hou u maar klaar. Voor zever. Of niet, u oordeelt uiteindelijk weer. Het is toch zalig eigenlijk, wat ik ook schrijf, hoe ik ook schrijf, u bent de paginabeul. Maar geef me een kans.
Middelmatig waarom? Alles is middelmatig in het kunstonderwijs omdat middelmatigheid aanvaard wordt, na een tijdje heeft iedereen het door hoe en wat er nodig is te slagen in het onderwijs. Men kent de codes, men kent de woorden, daardoor kan men met middelmatig tot slecht werk afkomen, lullen ze hun weg erdoor, en krijgen ze op het einde van die mongoolrit een diploma erboven op. En zolang die middelmatigheid of luiheid gestimuleerd wordt (door die kloothommels te laten slagen) zal niks erboven uitsteken. Natuurlijk, uw trots promoterschap van uw kalf heeft ervoor gezorgd dat ze de toppen haalt. Nee, alles is en blijft middelmatig, dankzij het systeem, het kunstonderwijs... Waarom zou u harder werken voor een vijftien (op twintig) als u weet dat die luie lama dezelfde punten kan krijgen voor een scheet op doek? Ja, inderdaad laten we geloven in de motivatie van een kunstenaar. De motivatie zit binnenin, blablabla. Nee, dat dooft uit. Misschien in de eerste jaren dat ze hard en harder werken, maar na een tijd verdooft het systeem hen en wordt alles terug middelmatig. Middelmatigheid is de dood van alles. Het slechtere en het betere. Inderdaad, hoe sta ik er dan tegenover? Ben ik die luie kloot, of die harde werker? Ik ben diegene die wachtte tot het voorbij was, zodat ik effectief die middelmatigheid kon verliezen en eens echt kon beginnen.
Hier wandelen maakt me gewoon droevig. Misschien ben ik wel een arrogante eikel die denkt dat alles slecht is, mijn excuses mocht dat het geval zijn. Ik heb gewoon moeite met enthousiast zijn. Maar om eerlijk te zijn, het is gewoon bullshit. Wie zijn wij, wij zijn niks, ik en u zijn kindjes die ooit misschien de kans krijgen, als we geluk hebben, om onze kunst te tonen, verkopen, prostitueren of wat dan ook. Maar nu, waarom de moeite steken in zo’n dingen, als het toch uiteindelijk erkenning van de zinloosheid zelve is? Tuurlijk, we zijn weer op het zelfde punt gekomen, erkenning en aandacht. Hoera voor u! Man, ik kan hier over blijven doorgaan. Het is zo belachelijk te denken dat we er iets uithalen. Gaat het effectief over dat alleen? In deze tijd misschien. Of in enkel in Gent, wie weet? En wie ben ik om daarover te oordelen? Ik zoek ook aandacht. Als die ene vrouw haar ogen op mij laat vallen, voel ik me goed, als iemand een applausje geeft omdat ik woorden na elkaar zet die als dominostenen vallen tot een zin, voel ik me goed. Maar dat is niet mijn doel. Inderdaad, misschien vertel ik soms andere verhalen, maar ik ben nu eenmaal een zeiker. Ik twijfel continu. Mijn doel is vooral mijn eigen zee terug kalm krijgen. In dat opzicht is het moeilijk voor mij appreciatie te ontvangen, omdat het in/over mij blijft gaan, ik wil geen andere mensen bevredigen, ik wil mezelf mentaal blussen zodat ik het niet begeef. Maar genoeg over mij, kunst en andere dingen, ik ben hier weg. Ik heb nooit graag in een kerk rondgelopen, gezeten of gestaan. Laat staan een kerk vol kunstvuil.
Daar komt die kutzon weer, moet die niet ergens anders zijn? Daar waar op dit moment de duisternis kleine kindjes hun kleine hoofdjes aan het verkrachten is? Ah fuck it, ik sleur mijn voeten gewoon stapsgewijs richting mijn kot. Mijn hoofd stroomt over door de overvloed aan pissigheid en pessimisme. Mijn rommelig kot is de rust is die ik nodig heb op dit moment. Dat bed zal goed doen. Mijn plan is: Ik kijk gewoon naar een of andere no-brainer film terwijl ik de drank achterover kap. En hopen dat ik snel in slaap val. Zodat ik kan dromen over een betere wereld, waarin kunst en mensen tezamen leven in vrede, zonder enig elitair gedoe, zonder zever, zonder de zinloosheid. Een wereld die tezamen gebracht wordt door kunst, een wereld waarin vrede en liefde de kernwoorden zijn. Ik kan me nu al zien rennen, in die grasgroene wei (inderdaad logisch), huppelend en huilend tussen de bloemen en beesten. Mijn god, wat zou ik geen enkele second verspillen aan de zinloosheid, ik zou enkel goed doen, mijn medemens verwarmen en die vriendelijke katholieke buur zijn die elke ochtend fijn zwaait terwijl u vrolijk voorbij rijdt met uw glimmende bedrijfswagen. Ik zou eten geven aan de armen, armen aan de armlozen. Ik zou proberen de nieuwe Christus te zijn. Ik zou goed zijn.
Toch is het zo niet, brute fucking pech he klojo’s. Dit is het dan. Aangenaam, ik weet dat ik zei dat mijn naam er niet toedeed maar toch, aangenaam. Zie mij als die ene passant in uw leven, die ene vage schimmel die niks betekende en vluchtig is.
Ik weet één ding, u bent voor mij belangrijk, u bent diegene die met uw mooie ogen over mijn woorden vliegt, u bent degene die luistert. Dank u daarvoor.
zaterdag 1 oktober 2011
Stervend Stil Leven
1.
Hallo onzichtbare lezer,
Ja, ik weet niet goed hoe te beginnen maar ik wil wat meer over mezelf vertellen. Ik ben een jonge zogezegde schilder van 23 jaar die al wat meer meegemaakt heeft dan de meeste puistige idioten die deze aardbol bewonen. Daarom dat ik waarschijnlijk ook kunst maak, of toch probeer.
Ik kan me uiteindelijk niet veel herinneren van mijn mini-kindleven, maar ah, ik probeer het. Ik weet dat ik als klein kind altijd griezelboeken wou lezen, altijd gefascineerd was door bloed die uit de hoofden van andere kinderen spoot, van beesten die onder het bed van mensdwergjes zaten.
Het kleine nerdy kind met het bolle kuifje en de fucking Samson en Gertbril. Ja, inderdaad slagen, pesten en alles wat u zich maar kon voorstellen. Ik verzamelde postzegels en fossielen, dat was mijn leven. Fossielen zijn stenen. Dat is het zowat, het zijn versteende dode dingen, die uiteindelijk van hun sterfbed op mijn bed terecht komen. Het beste moment dat ik ooit gehad heb hiermee is het volgende: We liepen langs een wegje, ergens in Duitse oorden, en ik zag een steen bovensteken langs de zijkant. Vraag mij niet waarom die steen mij aantrok, hij zong geen liedjes of zo. Maar ok, ik groef die steen dus op, en wat bleek het, het was een compleet, versteend Rugosakoraal, en het kon tot 350 miljoen jaar oud zijn. Wat een fucking geweldig idee om gewoon te weten dat iets 350 miljoen jaar geleden zat rond te drijven tussen andere weetikveelwat-zeedieren, en nu in men bevuild hand lag te stenen.
Ik weet nog goed dat ik bij mijn grootouders zat, in hun voortuin, tussen de kiezelstenen, op zoek naar fossielen. Op zich is het een vreemd, poëtisch beeld, iemand die tussen kiezelstenen op zoek gaat naar andere kiezelstenen. Het is de nutteloosheid zelve, de man die tussen de rommel nog rommel zoekt. Het leven is ook een zoektocht die op het einde ook vrij nutteloos is, en toch zoeken wij allemaal verder om uiteindelijk te sterven. Op zich is dat een poëtisch idee, ook een vrij deprimerend idee. Maar toen wist ik dat stenen niet zomaar stenen hoefden te zijn, maar door bepaalde omstandigheden een andere betekenislaag kregen. Zoals bij het fossiel. De steen werd verheven tot een soort graftombe, een soort herinnering uit de tijd, die versteend zijn verhaal verteld. Dit was echt een grote passie van mij. Je bezit de tijd op een of andere manier. Op zich is een fossiel echt gewoon een prachtig ding, het is zowat de grootste fuck you dat ge kunt doen tegenover tijd, want kijk, ik zie nog altijd dat kleine gedetailleerde kringspierversierd gaatje waar ooit de drilkikkervis door scheet. Alleen schijt het nu niet meer. Na mijn fossieltijd werd het eventjes een paar jaar rustig, het object werd vervangen door muziek. Dit kwam in alle vormen en lawaaien, zolang het maar luid genoeg kon zodat het een aanval op mijn hoofd was, zolang ik mezelf maar kon afsluiten van de woelige wereld en zijn baardapen. Een mp3speler van de Blokker die 20€ kostte en kleine digitale bestanden die mijn oor binnendrongen via de metalen hoofden van oorwormen. Muziek was mijn nieuw interessegebied, ik bleef nieuwe dingen ontdekken en mijn hoofd verder uitdagen. Dit op alle mogelijke vormen, ik ging tot het extreemste dat ik kon vinden. Tot het bizarste, tot het belachelijkste. Maar op zich ben ik altijd geïnteresseerd geweest in de dood, horror, de donkere kanten van het leven, dat is altijd iets wat me aangetrokken heeft. Juist door het feit dat afstotend is. Ik bekeek vroeger vaak foto's van ongevallen, bloed, vlees, organen, hersenen, geschraapte lichamen tussen de banden van een Ferrari F360. Ik kan daar naar kijken zonder iets van walging te voelen, eerder een soort fascinatie. Na wat na te denken over dit stukje dat ik hier geschreven heb, kwam ik ook tot het idee dat ik dit misschien ook deed als therapie. Om gewend te geraken aan de pijnlijkste dingen des levens.
2.
Toen ik klein was heb ik veel rond de dood gedacht, gezien en geleden. De nonkel van mijn moeder, 'Peet Scheet', stierf aan hersenkanker waardoor ik zag hoe een mens aftakelde stuk voor stuk, tot uiteindelijk er niks overbleef behalve een miezerige grijze massa die enkel oergeluiden kon voortbrengen. Dit was een proces van bijna een jaar. Ik weet nog goed hoe hij de eerste weken in zijn schaduwrijke woonkamer zat, in zijn oude zetel, huilend. Hij was aan de ene kant van zijn lichaam verlamd en daar zat hij dan, recht in mijn ogen te staren. Dan kwam het dode lichaam. We gingen in de kelders van het ziekenhuis, betonnen muren en bogen, en verschillende koude kamers met donkerblauwe gordijnen. Hij lag net zoals Sneeuwwitje in een glazen kist, bleek, proppen in zijn neus en oren. Dit was de dood. Dit hoopje vergrijst vlees kreeg een nieuwe betekenis.
In 2007 stierf mijn grote middelbare schoolliefde, Stefanie, in een auto-ongeval. Zij was echt een special persoon voor mij. Door die fucking klootzak die uiteindelijk te snel moest rijden, waarschijnlijk om sneller thuis te zijn. Ah, mocht hij nu nog leven, hij zou dood zijn. Zij was even oud als mij, had waarschijnlijk evenveel dromen en passies als mij, en nu is ze dood. Ik heb hier enorm van afgezien, ik wist niet hoe ermee om te gaan, hoe erop te reageren, of hoe ik zoiets moest verwerken. Uiteindelijk is dat volgens mij nooit echt gelukt.
Dit alles heeft ervoor gezorgd, waarschijnlijk met andere factoren, dat ik lichtjes mentaal naar de kloten ben geraakt. Ik begon een dwangneurose te ontwikkelen. Door al die dingen mee te maken, wou ik gewoon alles vast houden, wat uiteindelijk onmogelijk is. Als kaboutermensje begon dat via het controleren van alles waar iets mis mee kon zijn, kasten, onder kasten, schuiven,... Omdat ik bang was dat er monsters zaten, ja inderdaad. Monsters. Later is dat dan zowat geëvolueerd naar volwassen dingen, zoals stopcontacten en gasfornuizen. Dingen die volwassen meer gebruiken. Op zich heb ik dit zelf afgebouwd tot een soort acceptabele vorm van neurose, waarmee ik gerust kan leven zonder echt er veel tijd in te steken. Maar op zich mensen zonder die neuroses snappen echt niet hoe fucking lastig dit is. Het is ook moeilijk voor te stellen dat ge bijvoorbeeld naar een stopcontact kijkt, ge ziet dat er niks mis mee is, maar uw hoofd niet wil meewerken. En geloof me, dat is irritant, bewust zijn van wat er gebeurd, maar uw eigen fucking hoofd niet kunnen overtuigen hiervan.
Dit alles heeft me uiteindelijk gevormd tot wie ik nu ben, de deprimerende klootzak die met verf, poedels en ander gedoe gooit in de hoop zichzelf te bevrijden.
3.
Ik heb altijd een fascinatie gehad voor de onderliggende gevoelens die objecten, geluiden, ... kunnen losmaken. Ik heb me altijd al afgevraagd waarom ik droevig was, of bepaalde angsten kreeg bij beelden of geluiden. En ik had natuurlijk mijn dwangneurose die ik op zich niet echt kon negeren. Ik wist altijd al dat die dingen een zekere langeafstandsrelatie hadden, maar dit werd me pas echt duidelijk toen ik in Londen liep. Ik kwam een klein melkwit boekje tegen, met enkel op de voorzijde in zwarte letters zijn naam: Rudolf Stingel Toen ik het boekje opendeed en bladerde voelde ik een soort inwendige paniek. Op elke bladzijde stond hetzelfde schilderij en ernaast het schilderij in een ruimte. Het was een man die dreigend gefixeerd naar iets keek, in rauwe grijstinten. Dit beeld werd zes keer herhaald. Die herhaling op zich wekte zo'n gevoel op van paranoia. Zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Ik heb dus dat boekje gekocht en meegenomen. Het is zowat de Holy Grail van deze scriptie. Door dat boekje ben ik me beginnen afvragen wat deze gevoelens konden betekenen. Ik wist dat wat het ook was, het me veel kon vertellen over mijn andere interesses, invloeden en mijn uitspraken in beeld en woord.
Tijdens een goed gesprek met een onzichtbaar vriendje, waarin David Lynch, Peter Doig, Thierry de Cordier en mijn werk ook ter sprake kwamen, kwam ik tot een soort vaststelling. Er was een algemene factor in alles wat ik deed. Na verder onderzoek, kwam ik op een begrip uit: 'het Unheimliche'. Ik had het begrip gevonden waarrond alles zowat draait in mijn leven. Ik vroeg me ook af of mijn dwangneurose mij juist gevoeliger maakt voor Unheimliche zaken, of het soms gemakkelijker is voor mij om het Unheimliche te zien. Dit wil ik onderzoeken en hopelijk kan ik dit gebruiken om de wereld te veroveren of toch chaos te creëren in de mentale wereld via beeld, taal en geluid.
5.
Het Unheimliche, de überduitse term voor het “onhuiselijke”. Het freudiaans concept van een situatie waarin iets vertrouwd kan zijn, maar toch vreemd kan aanvoelen op hetzelfde moment, wat resulteert in een gevoel van ongemakkelijke vreemdheid. In mijn zieke waanzin-wereld ziet het er zo uit:
Een man ( laten we hem Walter De Schepper noemen, zie foto genomen enkele jaren terug) loopt op zijn gemak door het gezellige winkelstraatje genaamd De Viltstraat. Oei, wat gebeurt er? Een kindje is gevallen, Wally snelt er naartoe, helpt het kindje recht, en streelt eens over zijn kopje met een lekkere warme glimlach erbij. Het kindje huppelt blij verder terwijl Walter aangenaam verrast is door het goede weer vandaag.
De Schepper is altijd een goede man geweest, altijd voor het brood gezorgd op tafel, altijd gedaan wat moest gedaan worden als goede christen. Iedereen wist wie hij was, namelijk, Den Walter, de gezellige man vanop café, die mens waarbij je kon zeveren maar ook serieuze gesprekken kon hebben. Hij was zijn vrouw recent verloren en sindsdien was hij anders gaan kijken op het leven.
Walter liep dus al fluitend de zon tegemoet naar zijn dorpelijk huisje aan de kant van het water. Binnengekomen deed hij zijn namiddaglijkse bezigheid, koffie drinken en even de krant lezen. De krant was niet veel meer buiten de dagelijkse hoeveelheid miserie die elke mens nodig heeft om te leven. Het was tijd voor zijn hobby! De krant is gelezen, de koffie gezopen, dus tijd voor de ultieme vrije tijd. Wally heeft zijn kelder volledig gerenoveerd, nieuwe elektriciteit, verwarming en geluidsisolerend. Want natuurlijk je zou niet willen dat de buren of voorbijganger de kindjes horen krijsen. De Schepper heeft namelijk een vrij excentrieke hobby: het verzamelen, vermoorden en verkrachten van kindjes onder de 12 jaar. Daarna schrijft hij brieven naar hun ouders om te vertellen wat en hoe hij het deed, en eet hij nog gezellig enkele stukjes kind op. Na enkele uurtjes zijn hobby terug te beoefenen, en enkele stretchoefeningen is het tijd om eten, tv en slaap te beoefenen.
Inderdaad Walter is een vuile klootzak, hij is één van die psychopaten die er normaal uitziet, normaal leven leidt, maar ondergronds in zijn lijf en huis toch de nood heeft om die doodzonden te doen.
Zoals Lynch bijvoorbeeld van een stukje gazon een onderwereld maakt waarin de mestkevers koning zijn, zoals in het verhaal “De zandman” het eerst normaal lijkt te gaan voor het hoofdpersonage, en uiteindelijk alles in gang komt en verkeerd gaat. De controle verdwijnt. Die laatste zin is de samenvatting van het unheimliche. Het gras is niet meer zomaar gras, maar wordt de fucking onderwereld. Vanaf de mens denkt gras te kennen, bijvoorbeeld die idioot die het gras afrijdt van het voetbalveld in FC Erps-Kwerps, lijkt het zorgeloos, veilig en gezellig. Maar maakt men die idiootgrasmaaier effectief bewust dat onder hem miljoenen insecten kruipen en die miljoenen insecten eren en verteren die duizenden mensen die nu enkel potgrond zijn, dan zal hij toch niet meer op dezelfde manier kunnen kijken naar dat gras.
Wij geven onze realiteit betekenis, is dat via kleurrijke muffins en hertjes, çava! Maar wij creëren dat gevoel van veiligheid en huiselijkheid, door alles een betekenis te geven. Een eend is een eend. Een ontkalker een ontkalker enzoverder. Maar stelt dat we op het nieuws horen dat de eenden een vreselijke ziekte verspreiden die ook kan overgaan naar mensen. Wij zullen eenden mijden. In die zin, vanaf er ook maar enige vorm van betekenisverschuiving gebeurd in onze realiteit (niet de algemene realiteit, maar de persoonlijke werkelijkheid), zal het object een unheimliche staat over zich geworpen krijgen.
Bijvoorbeeld, wie kan zorgeloos in een spiegel kijken na het zien van Candyman? (film waarin personages na vijfmaal zijn naam te zeggen in de spiegel hem tevoorschijn brachten. Horrorstuff).
In een zekere zin durf ik zelfs zeggen dat angst = unheimliche. Want als wij angst voor iets hebben maakt niet uit wat, zijn het meestal alledaagse onschuldige dingen. Ok, iedereen snapt wel dat kutgevaarlijke beesten te vermijden zijn, en daarom schrik logisch is. Maar alle fobieën en kinderangsten hebben toch allemaal te maken met het creëren van het angstidee. Dat angstidee verbindt zich dan met het angstvoorwerp en zo doet het de knietjes trillen van de zorgeloze kindjes en zorgvolle volwassenen.
6.
De mens zit dus met dat kutverlies van controle, ze zitten met die angst die aan hun hersentjes knabbelt als een eekhoorntje aan een eikel. Wat doen ze ermee? Het verlies van die controle moet worden teruggewonnen, door juist een manier te vinden om die controle terug te winnen. Hoe doen ze dat? Ja, je kunt je angsten vermijden, bijvoorbeeld nooit meer buitenkomen. Of een zekerheid opbouwen door rituelen uit te voeren, in de hoop dat daardoor de Apocalyps uitgesteld wordt tot na die aflevering van Familie.
Even terzijde, heeft u angsten? Zoja, hoe gaat u ermee om?
Angsten:
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Hoe gaat u ermee om:
………………..................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................
Inderdaad, veel ben ik er niet mee, maar toch het is een aangenaam idee te weten dat u ook zal meeschrijven aan dit hoofdstuk van mijn leven waarin ik effectief hoofdstukken schrijf.
Ok, terug naar de rituelen om de Apocalyps uit te stellen tot na de aflevering van Familie. Dwangneuroses. Wat zijn dat eigenlijk voor parasitaire kloothommels? Je zit met twee delen, de obsessie en de compulsie. Zie deze twee als gelijkstaande componenten die elkaar wederzijds voeden, zoals elk evenwichtig huwelijk. De obsessie is datgene waar de bevende mens bang voor is, bijvoorbeeld de vrees om besmet te geraken door één of andere vleesetende bacterie die uiteindelijk uw voeten één voor één verteert. Gunter zal hierdoor heel zijn leven rond die bacterie bouwen, alles en niets zal ermee te maken hebben. De compulsie is dan de manier om zeker te zijn dat zijn doel bereikt wordt en bereikt blijft worden. Namelijk die bacterie weghouden. Hij kan dat doen door bijvoorbeeld zijn handen meermaals per minuut te wassen, of alles hermetisch af te sluiten. Die handelingen zijn de compulsies. En zo komen we uiteindelijk tot de grotere naam voor een dwangneurose: Obsessief Compulsieve Stoornis. Ik moet u waarschijnlijk niet vertellen waar het laatste woord op slaat.
Maar wat triggert eigenlijk primair die dwangneuroses? Wel er zijn natuurlijk theorieën, in drie richtingen eigenlijk, de biologie, de psychologie, en de omgeving. De groenen zeggen dat het te maken heeft met een fout in u hoofd, een kronkel die niet goed kronkelt of juist teveel kronkelt. De psychologen steken het op een vorm van vermijdingsgedrag en cognitieve fabricage. De omgevingers steken het dan op de familie, angstig gedrag of compulsief gedrag van familieleden, dat gewoon gekopieerd wordt door het sponskindje.
7.
Is er dan een link tussen het unheimliche en dwangneuroses? Mensen met OCS zijn sowieso geneigd tot objectificatie en betekenisverschuiving, zoals Freud zegt in zijn boek “Das Unheimliche”, waardoor iets een Unheimlich karakter kan krijgen. Net zoals in mijn geval stopcontacten en gasvuren een grotere, zwaardere betekenis krijgen dan de normale visie hierop. Ik denk dat mensen met dwangneurose hun wereld sowieso een Unheimlich kantje geven, bewust of onbewust. Door de herhalingsdrang, door de objectificatie, door de angst waarin ze leven. En omgekeerd werkt dit ook. Bijvoorbeeld, het ziekelijk beeld van een ideale wijk, met groene grassen, bloemetjes, gelukkige mensen. Zoals in Blue Velvet. Op zich kan zo een wereld zorgen voor een angst, omdat hij te perfect is om echt te zijn, omdat mensen ziek moeten worden in hun hoofd voor zo'n handelingen vol te houden. Ik weet bijvoorbeeld dat sommige mensen in Amerika het gras op hun gazon meten, om zeker te zijn dat het perfect is.
Maar de ene zijde is sterker dan de andere zijde. Mensen met dwangneuroses geven sowieso een Unheimlich kantje aan hun wereld. Dus ik zou durven zeggen dat die relatie niet te vermijden is. Omgekeerd kunnen mensen altijd blijven leven in hun Unheimlich ziek wereldje zonder ook maar enige vorm van angst te voelen. Zij kiezen om blind te blijven voortleven in hun zogezegde utopie.
Op vlak van mijn atelier heb ik hierover ook nog vaak zitten nadenken. Ik denk dat door mijn dwangneurose ik obsessief werk. Niet langdurig, maar in korte hevige schokken. Vanaf iets mijn interesse wekt, spring ik erop, verscheur het als een wilde giraf in duizenden stukken en verorber het als een man van een halve ton voor een donutfabriek, na 40 dagen te vasten. De dwangneurose zet me daartoe aan, hoe het Unheimliche hierbij komt kijken is een andere zaak. Ik merk dat door mijn ervaringen hiermee, terwijl ik niet wist wat het was, ik toch wel gevoeliger ben hiervoor. Ik denk ook dat het Unheimliche mij uiteindelijk ook te pakken heeft gekregen en mij mentaal verkracht heeft, zodat ik uiteindelijk die klootneurose als kerstcadeau kreeg. Niet dat ik het Unheimliche zie als een of andere zwarte wolk die effectief een duidelijke grens heeft, het is zowat een mistige samenvatting van mijn angsten en miserie. Als ik mijn atelier dan bekijk in functie van die mentale verkrachting, heb ik altijd dat gevoel proberen uitschreeuwen onder de vorm van een beeldenbraaksel. Op zich vind ik dat mijn dwangneurose geen essentieel onderdeel moet worden van mijn werk, wel van mijn werkproces. Mijn werk moet gaan over het gevoel, mijn ideeën en visies, mijn persoonlijkheid. En inderdaad, de dwangneurose is ook een deel van mijn persoonlijkheid, maar ik wil deze niet gaan beschouwen als een apart onderdeel of een soort object in mijn hoofd. Ik beschouw het eerder als een van de zovele slaven in mijn hoofd die in plaats van te helpen met het bouwen van mijn mentale piramide, wachten en ongemerkt 's nachts als een sluipende vos de stenen wat gaan verschuiven en zo nieuwe structuren creëren, met de nodige gaten en fragiliteit als gevolg. Mijn hoofdtombe.
Ik denk dat de relatie tussen het Unheimlich en Obsessief Compulsieve Stoornissen een eenzijdige relatie is. Een vage eenzijdige relatie, die soms tweezijdig kan worden. Ik denk dat het de vraag is wat eerst komt, dan erna, de kip of het ei? De haai of de haan? Het Unheimliche is er altijd geweest, dat is iets dat constant is en altijd zal bestaan, dwangneurose op zich niet, dat is een variabele factor die afhangt van mens tot mens. Iemand kan bijvoorbeeld Unheimlich werk maken en toch geen dwangneurose hebben.
Maar iemand met dwangneurose is juist ten onder gegaan aan het Unheimliche en kent de ervaringen als geen ander. Dus zal hij/zij veel waarschijnlijker Unheimlich werk maken. Volgens mij is dit de meest directe en logische relatie tussen beiden. Omdat de dwangneurose altijd de persoon confronteert met zijn angsten, met het Unheimlich dagelijks leven. Hierdoor kan dat moeilijk genegeerd worden en zit dit direct of indirect in zijn werk. Kunst is op zich een kijk op de kunstenaar zijn ziel (in mijn visie, goede kunst). Dus sowieso zullen die angsten tevoorschijn komen, en zal zijn werk direct of indirect door die ondergrondse angstwormen een Unheimlich karakter krijgen.
Die klotewormen. Laten we ze uitmoorden.
8.
Om over die wormen verder te blijven praten, ooit dacht ik, ik als onwetende kleine drol dat ik effectief versteende wormen had gevonden. Zie deze foto, hierin zie je dus die zogezegd klootwormen die ik versteend had teruggevonden. Ongelofelijk veel had ik er. Ik was namelijk een soort Indiana Jones die op zoek ging naar de versteende tijden. Daar haalde ik mijn bevrediging uit, ik, het twaalfjarig seksloos kindje. Versteende organismen die ooit ook de heilige slachtgemeenschap beoefenden en het uiteindelijke resultaat hiervan waren. Liefde, leven en dood, wat anders puur is er nog?
Fossielen, op zich gewoon stenen. Maar natuurlijk, zet ze in één of ander museum met één of andere ervaren grijsaap. Die Payne-grijsaap vertelde één of ander mythologisch verhaal over die ene idiote oerzeekrab die besloot op die lege kale plek dood te gaan in de oer-Noordzee. Uiteindelijk wist die krab niet dat hij gesteend in de glazen kast van een museum ging liggen, en die klootgrijsaard zijn levensverhaal ging samenvatten tot de woorden: “mensen, dit is een fossiel”. Punt.
Zo is het natuurlijk niet voor mij, mijn fossielen ( met de nadruk op mijn ) zijn schatten. Niet dat ik ze in mijn schatkist leg, maar in zekere zin liggen ze toch in mijn hoofdschatkist. Ik heb ze gevonden, uitgegraven uit hun aardegraf. Ze zijn dat deel van de geschiedenis dat ik bescherm tegen de vernietiging door het in mijn handen te houden tot ik zelf de vernietiging onderga. Ik heb al verteld over het gevoel van een versteende anus in uw handen te houden. Gevoel, daar gaat het over, je voelt ook effectief de structuur en textuur van dat ene fossiel. Dat maakt het juist zo mooi, het gaat niet over een of ander darwiniaanse ets van een dodo. Het gaat over de effectieve dodo die in uw handen dood ligt en de kracht mist om dwaas rond te dwalen. Het is een zekere macht die je krijgt over de tijd. Jij/ik bezit dat idiote steentje dat miljoenen jaren geleden ooit een venusschelp was, en nu nog altijd als beeld en vorm blijft bestaan. Hierbij kom ik terug op de één van de algemene angsten van de mensen. TIJD. Elke second gaat voorbij, verloren of niet, zelfs nu. U leest deze woorden, u maakt van deze woorden relaties genaamd zinnen. En telkens u een vijftal woorden leest, steel ik toch één seconde van uw leven. Uiteindelijk steel ik uw kostbare tijd om mijn woorden gezegd of gelezen te krijgen.
Mensen zijn bang voor tijd, omdat het bepalend is, iedereen sterft rond zijn tachtig, iedereen word geboren na negen maanden, een aflevering van House MD duurt ongeveer 44 minuten. Alles is tijdsgebonden, en juist het woord gebonden speelt hierin het grote spel. Iedereen zit vast aan tijd, nu is het 3u54. De alarmklok van de dood, de eerste genadeslag van de geboorte. Het einde des tijds.
Dit alles zeg ik om aan te tonen dat een fossiel tijdloos is. Inderdaad, de tijd heeft natuurlijk zijn invloed gehad. Anders zou die kreeftkoala nooit in een marmeren keukenaanrecht beland zijn, maar vanaf Dirk (naam van koala) versteend is, heeft tijd niet zoveel invloed meer op hem. Steen is een van de tijdloze materialen. Het is onsterfelijk in zekere zin. Onsterfelijk tegenover ons, het menselijke rasje. Daarom, toon respect tegenover mijn almachtig marmer, huisvrouwtje.
Om het even over kunst te hebben, want ja hoe kan ik mezelf anders een kunstenaar noemen. Er komen enkele voorbeelden in mijn hol hoofd. Het eerste oervoorbeeld is natuurlijk Anselm Kiefer, die zijn werk onsterfelijk maakt, door de geschiedenis, door de textuur, door de kleuren. Het werk is tijdloos. Het zijn kunstmatige fossielen. Een ander kunstwerk zijn de slaven van Michelangelo, die zich proberen los te wrikken uit de steen waaruit ze gehouwd zijn. Voor mij moeten de beelden een oerheid bevatten, een primordiale grom van het beest dat wij geschiedenis noemen. Maar ok, misschien schrijf ik nog verder over kunst, in de verre woordentoekomst die u tegenmoet staat.
Even terzijde, en totaal niet terzijde, mijn verhaal van het vinden van mijn Rugosakoraal.
Als kleine dwergmens ging ik elke zomer op reis met mij grootouders in de Eiffel. U kent het wel, van die landschappen die vaak terugkomen op die schlagerfesten op Duitse TV. Naarmate mijn interesse begon te groeien, eiste ik drievierde van de vakantietijd op, om te zoeken naar fossielen. Het zoeken naar fossielen is spannend, uw ogen moeten getraind zijn, uw hoofd moet klaar zijn alles te filteren dat niet fossielig is. Mijn Rugosakoraal heb ik gevonden op weg naar de grote fossielenzoekplaats, een steengroeve in Kerpen. Die dorpsnaam blijft tot deze seconde nog altijd in mijn hoofd gegrift. KERPEN. Bij deze, ik heb met de moderne technologie (Google Maps) het plekje, met name de steengroeve, voor de eerste keer sinds 11 jaar teruggezien, de tranen stonden in mijn ogen.
Ik liep dus langs dat onbenullig steengruis bestrooid zandwegje toen ineens mijn ogen vielen op een interessante steen. Nee, sorry, ik ga even onderbreken, terwijl ik dit schreef dacht ik terug aan hoe mijn grootmoeder het vertelde tegen mijn ouders, ik zal haar hierbij citeren:
“Dus we liepen gewoon naar die steengroeve, ik en Miel (grootvader) waren wa aan het praten. En ineens liep Kamiel naar de zijkant van het wegske en begon te kijken naar nen steen. Voor mij leek da gewoon ne domme steen, kzag er niks in.
Kamiel (Ja, dat ben ik, in mijn kindertijd deed ik Kamiel Spiessens na, mijn kindermuiltje was blijkbaar gemaakt voor die dingen, waardoor ik de nickname kreeg.) pakte die steen vast en begon het schoon te maken, en ja hij had weer ne keer een fossiel gevonden hé. En toen we terugkwamen int hotel en hij toonde die steen aan ne oude vent die ook met die dingen bezig was, die schrok hem te pletter. 350 miljoen jaar oud zei hij. Das wa hé.”
Eigenlijk weet u wat fossielen zijn? Laten we het even kort schetsen. Een vogel gaat dood, valt op de grond, na tijd van honderden miljoenen jaren komt er verschillende sedimentlagen bovenop, door de druk versteend het vogelendbeest, die sedimentlagen komen dan terugboven piepen, door het verschuiven van de aardplaten, en zo komt uiteindelijk die papegaai weer bovendrijven als een papegaaifossiel. Voilà.
Dus ja, hierbij kent u fossielen en de historie van mijn Rugosakoraal. Op zich, momenteel zoek ik geen fossielen meer. Hoewel de drang er is. Maar ik doet het op andere manieren. Ik heb een enorm verlangen oude dingen in mijn habitat te lokken en te bewaren tot ik ze later aan mijn gekloonde kindjes kan doorgeven. Zoals oude fotoalbums en foto’s. Gefossiliseerde beelden. Zelfs de meest idiote banale beelden. Bijvoorbeeld een wit kadertje met daarin een vergeelde foto van een schoothondje, of een oude foto van een onbekende pastoor. Ik hou ervan, het lijkt me logisch. Net zoals ik onbekende afstandelijke organismes zoals een hersenkoraal bij mij neem en bemin, doe ik hetzelfde met beelden. Enige regels die ik heb zijn: oud, tijd, versleten. Het moet geleefd hebben, letterlijk of figuurlijk.
De term gefossiliseerde beelden. Ik heb die uitgevonden, ja dat denk ik toch, het eikelige egotrippertje dat ik ben.
Wat zijn gefossiliseerde beelden? Dat zijn beelden die net zoals fossielen tijdloos zijn. Niet dat ze niet bepaald zijn door een tijdperk of tijdsgebonden techniek. Maar ze zitten vastgesedimenteerd binnenin hun foto-zijn. Laten we een een oude postkaart van Boekhoute-dorp hieronder nemen als voorbeeld.
Deze foto is een beeld genomen in de jaren stillekes van mijn klein dorpje, Boekhoute. Dit is een gefossiliseerd beeld. Waarom? Ten eerste, alles zit vastgeroest in die ene momentopname dat men een foto noemt. Die mensen zullen voor eeuwig op hun plekje blijven staan. De zon zal niet verder zoeken naar de andere kant van de aarde. De tijd staat stil.
Ten tweede, je zit met de geschiedenis die vast zit, het leven van die tijd zit gevat in het beeld, en kan niet loskomen hoe dan ook. Als je de geschiedenis van dit organisme vernietigt, vernietig je het fossiel zelf. Er is geen omweg hierin.
Ten derde zit je natuurlijk ook met het idee, dat ik, de zoeker van de zinloze geschiedenis, dit beeld terugbreng in onze tijd. Ik haal het beeld vanonder uit de talloze troep van ons historisch huisvuil en geef het een sokkel waardoor het terug leeft in zekere zin. Hierbij komt mijn volgende vraag voor mezelf: Wanneer kan men een beeld gefossiliseerd noemen? Uitgaande van het idee dat dit beeld waarschijnlijk meer dan 80 jaar oud is. Kan een foto die ik gisteren genomen heb ook gefossiliseerd genoemd worden, of moet eerst de tijd zijn eroderende erotiek op het beeld loslaten om uiteindelijk binnen een aantal decennia belangrijk geacht te worden? In mijn ogen zit het zo, tijd moet voorbij gegaan zijn. De clichézin zegt het zelf: “Men kan pas echt iets appreciëren als men het kwijt is”. Dus dit beeldend fossiel is de herinnering aan datgene dat men ooit had, maar nu leeft in een materieel-beeldende vorm. En natuurlijk als ik met dit gedachtengoed verderga, wordt het onmogelijk effectief fossiel werk te creëren. Want hoe kan ik deze eigenschappen in een werk steken, zonder effectief de waarheid van het werk in vraag te stellen? Hierbij kom ik terug bij Kiefer. Kiefer slaagt in sommige werken erin om de bricolage te vergeten en effectief de onderliggende grom door te geven in de zachte oortjes van de toeschouwende mensjes. Het moet een natuurlijk fenomeen zijn, vanzelfsprekend in zekere zin. Als die ene neushoorn in Kenia die al jaren een hoedje draagt. De ervaring van het zien moet overtuigend zijn.
9.
De kunstenaars waar ik van hou (Kiefer, De Cordier, enzoverder) geven me vaak diezelfde ervaring bij het bekijken van hun werk. De sublieme ervaring. Eerlijk gezegd, dit klinkt vrij bekakt tegenover de effectieve gevoelens die ik ervaar terwijl. Maar ah, is iemand er ooit effectief in geslaagd om zijn emoties zo duidelijk te vertalen dat alle vraagtekens gered werden van het uiteindelijk verderf des tijds. Emoties zijn subliem, men kan ervoor symbolen vinden of effectief woorden (zoals verdriet, liefde, u weet wel). Maar emoties zijn een onmeetbaar fenomeen, men ervaart het soms als de tsunami die de golven weemoed stuurt richting uw ogen, men ervaart het als dat vuur dat uw binnenste verteert terwijl u bij u geliefde ligt. Het zijn de ongrijpbare basilieken van ons bewustzijn. Emoties zijn sublieme hoofdluizen. Het sublieme is een term die enkel tot doel heeft om emotie en motief in natuur en landschap onder woorden te brengen, het is niet enkel het cliché beeld van de man in de mist die eenzaam boven de bergen staat. Het sublieme is in de tijd meerdere metamorfosen ondergaan en heeft meer gelaagdheden dan datgene van Friedrich.
Binnen de kunstfilosofie staat het begrip ‘subliem’ op gelijke voet van oudere begrippen: mooi en pittoresk, wat ik op zich echt kutwoorden vindt om effectief een beeld te vertalen naar woorden. Deze begrippen overlappen elkaar deels, hoewel er enig verschil zit in de manier hoe ze gebruikt worden. Het mooie en pittoreske worden vooral gebruiken om een soort van harmonieuze eigenschappen te beschrijven, subliem wordt eerder gebruikt om conflicterende eigenschappen te beschrijven. Het is juist dat conflict waardoor men inzicht krijgt waarom wij in onze tenger lijfje zo beroerd geraken door het landschap of natuur. In de geschiedenis is het onderwerp van de lijfroering, het conflict telkens verschoven, het is verbreed om de over verschillende culturele ontwikkelingen te kunnen blijven reflecteren, zoals bv. op filosofisch vlak (Zoals Nietsche, Kant,…)
Het sublieme wordt een soort meter, als een soort thermometer voor de dynamiek en complexiteit van een tijdsperiode of tijdsgeest. Ook speelt hierbij het landschap natuurlijk ook een belangrijke factor, een landschap verandert doorheen de tijd, erosie, steden komen op, overstromingen enzoverder. Ik zal deze term, het sublieme, kort proberen plaatsen in de geschiedenis. Vergeet het mooie en pittoreske, wat een idiote-bambi-bloemetjes-woorden. En vergeet eigenlijk de tweehonderdtweeënveertig woorden hiervoor. Mijn sublieme saus: Voor mij is iets subliem vanaf het alles of niets (niets? Geen idee, moet ik over nadenken) overstijgt. Bijvoorbeeld een fossiel dat effectief de grenzen van tijd overheerst, als beeld, als object. Of bijvoorbeeld een schilderij van Kiefer, dat met zijn oerbeelden een ongrijpbare en overweldigende beeldenwereld schept. Of de sublieme mythologie van De Cordier. Op zich genoeg voorbeelden. Hoe kan ik me het sublieme voorstellen in een beeld? Ik zat juist te denken met mijn garnaalhoofdje, stel dat men effectief zou kunnen voelen in de massa hoe oud een fossiel is, dan zou men effectief de zwaarte van het sublieme voelen. Net zoals het gewicht van een Kiefer-werk (omgezet in bv vetkilo’s) genoeg zal zijn om Afrika te voeden (of toch een klein deel). Mocht dat ongrijpbare grijpbaar worden, zou het dan niet nog altijd ongrijpbaar zijn? Als we ooit het heelal kunnen begrenzen, zouden we dan niet enkel een klein grensdeeltje zachtjes strelen in plaats van het totaalbeeld te kunnen nemen, verkrachten en verteren. En inderdaad in die zin is een woord zoals subliem te vergelijken met een woord zoals liefde. Beide betekenen heel veel, of juist niks, ze zijn onbegrensd in hun betekenis maar toch krijgen ze die motherload aan informatie met zich mee.
Om terug te keren op het niets, inderdaad dat is ook subliem, een zwart gat, dat is het niets, dat slorpt het alles op. Ik wil hier natuurlijk niet te ver in gaan, puur om mezelf niet uit te moorden door het onderzoeken van een zwart gat. Maar het niets is ongrijpbaar. Het niets en het alles. Wat een prachtig poëtisch koppel toch.
10.
Niets of alles, gelukkig zit het leven zo niet in elkaar. Mijn dokter heeft me verteld te stoppen met roken, de schoorsteen die ik zwoegend zelf gebouwd heb blijkt niet goed te zijn voor mijn lijf. Johan de Heler zei dat als ik bleef leven in de mist, mijn leven wel in de volgende 680 woorden voorbij kan zijn. Ah, wat is het toch kort het leven. Elke minuut kan mijn laatste zijn. Ik zal schrijven alsof het de laatste woorden zijn dat u ooit zal lezen, de laatste woorden die via mijn steenhoofd gestuurd worden naar die eeltvinger waarmee ik het klavier grondig bevredig. Hoe was mijn leven tot nu toe eigenlijk? Heb ik effectief niks anders te vertellen dan over het unheimliche, het sublieme en dwangneuroses? Soms vraag ik me af of er geen geheel is waarin deze dwergpony’s passen, natuurlijk ja het kutcliché antwoord is: ik. Maar wie ben ik nu weer? Ah, het doet er niet toe, straks is het allemaal voorbij en ga ik slapen. Begraaf mij maar met de fossielen die ik ooit zo liefhad, zodat ik ooit misschien dat sublieme steentje kan worden in uw hand.
Natuurlijk valt alles tezamen tot één, ik ben het. Ik zit hier mijn hoofdspurten te noteren, ik zit hier interessant te wezen. Laten we het vertalen in een fictief personage: Roger de fossielgarnaal, die een dwangmatige zoektocht houdt naar zijn verloren sublimiteit in zee. Ah, het doet er niet toe. Er moet toch één woord zijn dat dit alles kan samenvatten, of toch enkele woorden die alles zeggen. Ik denk bijvoorbeeld aan poëzie, hoewel ik soms echt dat woord kan haten, maar echt haten. Poëzie doet me denken aan die blijtklootzakken, die denken door enkele woorden in verband met liefde tezamen te gooien, ze poëzie maken. Maar zo zit het niet, het gaat niet echt over de poëzie, maar het poëtische in iets. Ik heb een idee, ik ga gewoon simpelweg wat beschrijvende woorden opschrijven en zo uiteindelijk heel dit gedoe samenvatten.
Poëtisch, Ruw, Oud, ja, na hier een kwartier lang na te staren hou ik het hierbij. P R O. Man, wat voel ik me kut. Mijn maag probeert zich een weg uit mijn lijf te branden, mijn ogen willen zichzelf begraven in mijn muil, en mijn hele lijf voelt vuil en moe aan. Die klootzakkerige angstwormen vallen toch wel binnen nu, fuck man, wat is er gaande met mij? Ik ben die ruwe oude egoïstische kloothommel geworden, net zoals die ene man op de tram die zijn lama wurgde. Mijn maagsappen leiden hun eigen leven naar mijn mond toe, wat valt eraan te doen. Het vergeten eten.
Ik ben beschimmeld, de kloven in mijn bakkes graven hun weg dieper en dieper, mijn lijf is oud en schreeuwt voor verlossing, maar waar zit die klotepoëzie dan? Misschien moet ik effectief de ultieme schrijfzelfmoord plegen, en uw heilig hartje verwarmen met een liefdesgedichtje?
Het lijkt wel of t gister was die dag
Die avond in dat café dat ik je voor de eerste keer zag.
Het was mijn meissie daar op die kruk
Die kanjer met die lieve lach.
Ik wist het toen zeker, deze egel op een kruk
Die mijn hele lijf laat gloeien
Daarbij vind ik het geluk.
In voor en tegenspoed
Ziekte of pijn
Rijk of arm
Altijd zal ik jouw rots in de branding zijn.
Je gezondheid is voor jou een grote zorg
Die kost je menig traan
Maar samen slaan we ons daar door
Echt, wij kunnen alles aan.
Ooit hoop ik dat je bij me komt en zegt ik ben eruit,
Ik wil ook samen met jou zijn
Twee handen op 1 buik.
Jij bent de spil waar het om draait,
De Roos in mijn boelet
Zoals je bent ben je perfect
Mijn maatje voor altijd
Echt, iedere dag bedenk ik me even
Dat ik voor jou mijn leven zou geven
Al lijkt de wereld soms zo grauw
Ellende overal
1 Gedachte aan mn kanker maakt alles weer goed
Lieverd, ik hou van jou
Vaarwel lieve mens, dank u om mijn woorden te laten kruipen in uw koude kijkers, dank u om soms toch uw mondhoeken wanggericht te laten gaan. Laten we hopen dat dit niet het einde is, maar enkel een overgang. Dat mijn grauw heiligbeentje ooit in de handen komt te liggen van een kind, die dat stervend stilleven bewaart tot zijn vernietiging.
Vaarwel.
Hallo onzichtbare lezer,
Ja, ik weet niet goed hoe te beginnen maar ik wil wat meer over mezelf vertellen. Ik ben een jonge zogezegde schilder van 23 jaar die al wat meer meegemaakt heeft dan de meeste puistige idioten die deze aardbol bewonen. Daarom dat ik waarschijnlijk ook kunst maak, of toch probeer.
Ik kan me uiteindelijk niet veel herinneren van mijn mini-kindleven, maar ah, ik probeer het. Ik weet dat ik als klein kind altijd griezelboeken wou lezen, altijd gefascineerd was door bloed die uit de hoofden van andere kinderen spoot, van beesten die onder het bed van mensdwergjes zaten.
Het kleine nerdy kind met het bolle kuifje en de fucking Samson en Gertbril. Ja, inderdaad slagen, pesten en alles wat u zich maar kon voorstellen. Ik verzamelde postzegels en fossielen, dat was mijn leven. Fossielen zijn stenen. Dat is het zowat, het zijn versteende dode dingen, die uiteindelijk van hun sterfbed op mijn bed terecht komen. Het beste moment dat ik ooit gehad heb hiermee is het volgende: We liepen langs een wegje, ergens in Duitse oorden, en ik zag een steen bovensteken langs de zijkant. Vraag mij niet waarom die steen mij aantrok, hij zong geen liedjes of zo. Maar ok, ik groef die steen dus op, en wat bleek het, het was een compleet, versteend Rugosakoraal, en het kon tot 350 miljoen jaar oud zijn. Wat een fucking geweldig idee om gewoon te weten dat iets 350 miljoen jaar geleden zat rond te drijven tussen andere weetikveelwat-zeedieren, en nu in men bevuild hand lag te stenen.
Ik weet nog goed dat ik bij mijn grootouders zat, in hun voortuin, tussen de kiezelstenen, op zoek naar fossielen. Op zich is het een vreemd, poëtisch beeld, iemand die tussen kiezelstenen op zoek gaat naar andere kiezelstenen. Het is de nutteloosheid zelve, de man die tussen de rommel nog rommel zoekt. Het leven is ook een zoektocht die op het einde ook vrij nutteloos is, en toch zoeken wij allemaal verder om uiteindelijk te sterven. Op zich is dat een poëtisch idee, ook een vrij deprimerend idee. Maar toen wist ik dat stenen niet zomaar stenen hoefden te zijn, maar door bepaalde omstandigheden een andere betekenislaag kregen. Zoals bij het fossiel. De steen werd verheven tot een soort graftombe, een soort herinnering uit de tijd, die versteend zijn verhaal verteld. Dit was echt een grote passie van mij. Je bezit de tijd op een of andere manier. Op zich is een fossiel echt gewoon een prachtig ding, het is zowat de grootste fuck you dat ge kunt doen tegenover tijd, want kijk, ik zie nog altijd dat kleine gedetailleerde kringspierversierd gaatje waar ooit de drilkikkervis door scheet. Alleen schijt het nu niet meer. Na mijn fossieltijd werd het eventjes een paar jaar rustig, het object werd vervangen door muziek. Dit kwam in alle vormen en lawaaien, zolang het maar luid genoeg kon zodat het een aanval op mijn hoofd was, zolang ik mezelf maar kon afsluiten van de woelige wereld en zijn baardapen. Een mp3speler van de Blokker die 20€ kostte en kleine digitale bestanden die mijn oor binnendrongen via de metalen hoofden van oorwormen. Muziek was mijn nieuw interessegebied, ik bleef nieuwe dingen ontdekken en mijn hoofd verder uitdagen. Dit op alle mogelijke vormen, ik ging tot het extreemste dat ik kon vinden. Tot het bizarste, tot het belachelijkste. Maar op zich ben ik altijd geïnteresseerd geweest in de dood, horror, de donkere kanten van het leven, dat is altijd iets wat me aangetrokken heeft. Juist door het feit dat afstotend is. Ik bekeek vroeger vaak foto's van ongevallen, bloed, vlees, organen, hersenen, geschraapte lichamen tussen de banden van een Ferrari F360. Ik kan daar naar kijken zonder iets van walging te voelen, eerder een soort fascinatie. Na wat na te denken over dit stukje dat ik hier geschreven heb, kwam ik ook tot het idee dat ik dit misschien ook deed als therapie. Om gewend te geraken aan de pijnlijkste dingen des levens.
2.
Toen ik klein was heb ik veel rond de dood gedacht, gezien en geleden. De nonkel van mijn moeder, 'Peet Scheet', stierf aan hersenkanker waardoor ik zag hoe een mens aftakelde stuk voor stuk, tot uiteindelijk er niks overbleef behalve een miezerige grijze massa die enkel oergeluiden kon voortbrengen. Dit was een proces van bijna een jaar. Ik weet nog goed hoe hij de eerste weken in zijn schaduwrijke woonkamer zat, in zijn oude zetel, huilend. Hij was aan de ene kant van zijn lichaam verlamd en daar zat hij dan, recht in mijn ogen te staren. Dan kwam het dode lichaam. We gingen in de kelders van het ziekenhuis, betonnen muren en bogen, en verschillende koude kamers met donkerblauwe gordijnen. Hij lag net zoals Sneeuwwitje in een glazen kist, bleek, proppen in zijn neus en oren. Dit was de dood. Dit hoopje vergrijst vlees kreeg een nieuwe betekenis.
In 2007 stierf mijn grote middelbare schoolliefde, Stefanie, in een auto-ongeval. Zij was echt een special persoon voor mij. Door die fucking klootzak die uiteindelijk te snel moest rijden, waarschijnlijk om sneller thuis te zijn. Ah, mocht hij nu nog leven, hij zou dood zijn. Zij was even oud als mij, had waarschijnlijk evenveel dromen en passies als mij, en nu is ze dood. Ik heb hier enorm van afgezien, ik wist niet hoe ermee om te gaan, hoe erop te reageren, of hoe ik zoiets moest verwerken. Uiteindelijk is dat volgens mij nooit echt gelukt.
Dit alles heeft ervoor gezorgd, waarschijnlijk met andere factoren, dat ik lichtjes mentaal naar de kloten ben geraakt. Ik begon een dwangneurose te ontwikkelen. Door al die dingen mee te maken, wou ik gewoon alles vast houden, wat uiteindelijk onmogelijk is. Als kaboutermensje begon dat via het controleren van alles waar iets mis mee kon zijn, kasten, onder kasten, schuiven,... Omdat ik bang was dat er monsters zaten, ja inderdaad. Monsters. Later is dat dan zowat geëvolueerd naar volwassen dingen, zoals stopcontacten en gasfornuizen. Dingen die volwassen meer gebruiken. Op zich heb ik dit zelf afgebouwd tot een soort acceptabele vorm van neurose, waarmee ik gerust kan leven zonder echt er veel tijd in te steken. Maar op zich mensen zonder die neuroses snappen echt niet hoe fucking lastig dit is. Het is ook moeilijk voor te stellen dat ge bijvoorbeeld naar een stopcontact kijkt, ge ziet dat er niks mis mee is, maar uw hoofd niet wil meewerken. En geloof me, dat is irritant, bewust zijn van wat er gebeurd, maar uw eigen fucking hoofd niet kunnen overtuigen hiervan.
Dit alles heeft me uiteindelijk gevormd tot wie ik nu ben, de deprimerende klootzak die met verf, poedels en ander gedoe gooit in de hoop zichzelf te bevrijden.
3.
Ik heb altijd een fascinatie gehad voor de onderliggende gevoelens die objecten, geluiden, ... kunnen losmaken. Ik heb me altijd al afgevraagd waarom ik droevig was, of bepaalde angsten kreeg bij beelden of geluiden. En ik had natuurlijk mijn dwangneurose die ik op zich niet echt kon negeren. Ik wist altijd al dat die dingen een zekere langeafstandsrelatie hadden, maar dit werd me pas echt duidelijk toen ik in Londen liep. Ik kwam een klein melkwit boekje tegen, met enkel op de voorzijde in zwarte letters zijn naam: Rudolf Stingel Toen ik het boekje opendeed en bladerde voelde ik een soort inwendige paniek. Op elke bladzijde stond hetzelfde schilderij en ernaast het schilderij in een ruimte. Het was een man die dreigend gefixeerd naar iets keek, in rauwe grijstinten. Dit beeld werd zes keer herhaald. Die herhaling op zich wekte zo'n gevoel op van paranoia. Zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Ik heb dus dat boekje gekocht en meegenomen. Het is zowat de Holy Grail van deze scriptie. Door dat boekje ben ik me beginnen afvragen wat deze gevoelens konden betekenen. Ik wist dat wat het ook was, het me veel kon vertellen over mijn andere interesses, invloeden en mijn uitspraken in beeld en woord.
Tijdens een goed gesprek met een onzichtbaar vriendje, waarin David Lynch, Peter Doig, Thierry de Cordier en mijn werk ook ter sprake kwamen, kwam ik tot een soort vaststelling. Er was een algemene factor in alles wat ik deed. Na verder onderzoek, kwam ik op een begrip uit: 'het Unheimliche'. Ik had het begrip gevonden waarrond alles zowat draait in mijn leven. Ik vroeg me ook af of mijn dwangneurose mij juist gevoeliger maakt voor Unheimliche zaken, of het soms gemakkelijker is voor mij om het Unheimliche te zien. Dit wil ik onderzoeken en hopelijk kan ik dit gebruiken om de wereld te veroveren of toch chaos te creëren in de mentale wereld via beeld, taal en geluid.
5.
Het Unheimliche, de überduitse term voor het “onhuiselijke”. Het freudiaans concept van een situatie waarin iets vertrouwd kan zijn, maar toch vreemd kan aanvoelen op hetzelfde moment, wat resulteert in een gevoel van ongemakkelijke vreemdheid. In mijn zieke waanzin-wereld ziet het er zo uit:
Een man ( laten we hem Walter De Schepper noemen, zie foto genomen enkele jaren terug) loopt op zijn gemak door het gezellige winkelstraatje genaamd De Viltstraat. Oei, wat gebeurt er? Een kindje is gevallen, Wally snelt er naartoe, helpt het kindje recht, en streelt eens over zijn kopje met een lekkere warme glimlach erbij. Het kindje huppelt blij verder terwijl Walter aangenaam verrast is door het goede weer vandaag.
De Schepper is altijd een goede man geweest, altijd voor het brood gezorgd op tafel, altijd gedaan wat moest gedaan worden als goede christen. Iedereen wist wie hij was, namelijk, Den Walter, de gezellige man vanop café, die mens waarbij je kon zeveren maar ook serieuze gesprekken kon hebben. Hij was zijn vrouw recent verloren en sindsdien was hij anders gaan kijken op het leven.
Walter liep dus al fluitend de zon tegemoet naar zijn dorpelijk huisje aan de kant van het water. Binnengekomen deed hij zijn namiddaglijkse bezigheid, koffie drinken en even de krant lezen. De krant was niet veel meer buiten de dagelijkse hoeveelheid miserie die elke mens nodig heeft om te leven. Het was tijd voor zijn hobby! De krant is gelezen, de koffie gezopen, dus tijd voor de ultieme vrije tijd. Wally heeft zijn kelder volledig gerenoveerd, nieuwe elektriciteit, verwarming en geluidsisolerend. Want natuurlijk je zou niet willen dat de buren of voorbijganger de kindjes horen krijsen. De Schepper heeft namelijk een vrij excentrieke hobby: het verzamelen, vermoorden en verkrachten van kindjes onder de 12 jaar. Daarna schrijft hij brieven naar hun ouders om te vertellen wat en hoe hij het deed, en eet hij nog gezellig enkele stukjes kind op. Na enkele uurtjes zijn hobby terug te beoefenen, en enkele stretchoefeningen is het tijd om eten, tv en slaap te beoefenen.
Inderdaad Walter is een vuile klootzak, hij is één van die psychopaten die er normaal uitziet, normaal leven leidt, maar ondergronds in zijn lijf en huis toch de nood heeft om die doodzonden te doen.
Zoals Lynch bijvoorbeeld van een stukje gazon een onderwereld maakt waarin de mestkevers koning zijn, zoals in het verhaal “De zandman” het eerst normaal lijkt te gaan voor het hoofdpersonage, en uiteindelijk alles in gang komt en verkeerd gaat. De controle verdwijnt. Die laatste zin is de samenvatting van het unheimliche. Het gras is niet meer zomaar gras, maar wordt de fucking onderwereld. Vanaf de mens denkt gras te kennen, bijvoorbeeld die idioot die het gras afrijdt van het voetbalveld in FC Erps-Kwerps, lijkt het zorgeloos, veilig en gezellig. Maar maakt men die idiootgrasmaaier effectief bewust dat onder hem miljoenen insecten kruipen en die miljoenen insecten eren en verteren die duizenden mensen die nu enkel potgrond zijn, dan zal hij toch niet meer op dezelfde manier kunnen kijken naar dat gras.
Wij geven onze realiteit betekenis, is dat via kleurrijke muffins en hertjes, çava! Maar wij creëren dat gevoel van veiligheid en huiselijkheid, door alles een betekenis te geven. Een eend is een eend. Een ontkalker een ontkalker enzoverder. Maar stelt dat we op het nieuws horen dat de eenden een vreselijke ziekte verspreiden die ook kan overgaan naar mensen. Wij zullen eenden mijden. In die zin, vanaf er ook maar enige vorm van betekenisverschuiving gebeurd in onze realiteit (niet de algemene realiteit, maar de persoonlijke werkelijkheid), zal het object een unheimliche staat over zich geworpen krijgen.
Bijvoorbeeld, wie kan zorgeloos in een spiegel kijken na het zien van Candyman? (film waarin personages na vijfmaal zijn naam te zeggen in de spiegel hem tevoorschijn brachten. Horrorstuff).
In een zekere zin durf ik zelfs zeggen dat angst = unheimliche. Want als wij angst voor iets hebben maakt niet uit wat, zijn het meestal alledaagse onschuldige dingen. Ok, iedereen snapt wel dat kutgevaarlijke beesten te vermijden zijn, en daarom schrik logisch is. Maar alle fobieën en kinderangsten hebben toch allemaal te maken met het creëren van het angstidee. Dat angstidee verbindt zich dan met het angstvoorwerp en zo doet het de knietjes trillen van de zorgeloze kindjes en zorgvolle volwassenen.
6.
De mens zit dus met dat kutverlies van controle, ze zitten met die angst die aan hun hersentjes knabbelt als een eekhoorntje aan een eikel. Wat doen ze ermee? Het verlies van die controle moet worden teruggewonnen, door juist een manier te vinden om die controle terug te winnen. Hoe doen ze dat? Ja, je kunt je angsten vermijden, bijvoorbeeld nooit meer buitenkomen. Of een zekerheid opbouwen door rituelen uit te voeren, in de hoop dat daardoor de Apocalyps uitgesteld wordt tot na die aflevering van Familie.
Even terzijde, heeft u angsten? Zoja, hoe gaat u ermee om?
Angsten:
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Hoe gaat u ermee om:
………………..................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................................
Inderdaad, veel ben ik er niet mee, maar toch het is een aangenaam idee te weten dat u ook zal meeschrijven aan dit hoofdstuk van mijn leven waarin ik effectief hoofdstukken schrijf.
Ok, terug naar de rituelen om de Apocalyps uit te stellen tot na de aflevering van Familie. Dwangneuroses. Wat zijn dat eigenlijk voor parasitaire kloothommels? Je zit met twee delen, de obsessie en de compulsie. Zie deze twee als gelijkstaande componenten die elkaar wederzijds voeden, zoals elk evenwichtig huwelijk. De obsessie is datgene waar de bevende mens bang voor is, bijvoorbeeld de vrees om besmet te geraken door één of andere vleesetende bacterie die uiteindelijk uw voeten één voor één verteert. Gunter zal hierdoor heel zijn leven rond die bacterie bouwen, alles en niets zal ermee te maken hebben. De compulsie is dan de manier om zeker te zijn dat zijn doel bereikt wordt en bereikt blijft worden. Namelijk die bacterie weghouden. Hij kan dat doen door bijvoorbeeld zijn handen meermaals per minuut te wassen, of alles hermetisch af te sluiten. Die handelingen zijn de compulsies. En zo komen we uiteindelijk tot de grotere naam voor een dwangneurose: Obsessief Compulsieve Stoornis. Ik moet u waarschijnlijk niet vertellen waar het laatste woord op slaat.
Maar wat triggert eigenlijk primair die dwangneuroses? Wel er zijn natuurlijk theorieën, in drie richtingen eigenlijk, de biologie, de psychologie, en de omgeving. De groenen zeggen dat het te maken heeft met een fout in u hoofd, een kronkel die niet goed kronkelt of juist teveel kronkelt. De psychologen steken het op een vorm van vermijdingsgedrag en cognitieve fabricage. De omgevingers steken het dan op de familie, angstig gedrag of compulsief gedrag van familieleden, dat gewoon gekopieerd wordt door het sponskindje.
7.
Is er dan een link tussen het unheimliche en dwangneuroses? Mensen met OCS zijn sowieso geneigd tot objectificatie en betekenisverschuiving, zoals Freud zegt in zijn boek “Das Unheimliche”, waardoor iets een Unheimlich karakter kan krijgen. Net zoals in mijn geval stopcontacten en gasvuren een grotere, zwaardere betekenis krijgen dan de normale visie hierop. Ik denk dat mensen met dwangneurose hun wereld sowieso een Unheimlich kantje geven, bewust of onbewust. Door de herhalingsdrang, door de objectificatie, door de angst waarin ze leven. En omgekeerd werkt dit ook. Bijvoorbeeld, het ziekelijk beeld van een ideale wijk, met groene grassen, bloemetjes, gelukkige mensen. Zoals in Blue Velvet. Op zich kan zo een wereld zorgen voor een angst, omdat hij te perfect is om echt te zijn, omdat mensen ziek moeten worden in hun hoofd voor zo'n handelingen vol te houden. Ik weet bijvoorbeeld dat sommige mensen in Amerika het gras op hun gazon meten, om zeker te zijn dat het perfect is.
Maar de ene zijde is sterker dan de andere zijde. Mensen met dwangneuroses geven sowieso een Unheimlich kantje aan hun wereld. Dus ik zou durven zeggen dat die relatie niet te vermijden is. Omgekeerd kunnen mensen altijd blijven leven in hun Unheimlich ziek wereldje zonder ook maar enige vorm van angst te voelen. Zij kiezen om blind te blijven voortleven in hun zogezegde utopie.
Op vlak van mijn atelier heb ik hierover ook nog vaak zitten nadenken. Ik denk dat door mijn dwangneurose ik obsessief werk. Niet langdurig, maar in korte hevige schokken. Vanaf iets mijn interesse wekt, spring ik erop, verscheur het als een wilde giraf in duizenden stukken en verorber het als een man van een halve ton voor een donutfabriek, na 40 dagen te vasten. De dwangneurose zet me daartoe aan, hoe het Unheimliche hierbij komt kijken is een andere zaak. Ik merk dat door mijn ervaringen hiermee, terwijl ik niet wist wat het was, ik toch wel gevoeliger ben hiervoor. Ik denk ook dat het Unheimliche mij uiteindelijk ook te pakken heeft gekregen en mij mentaal verkracht heeft, zodat ik uiteindelijk die klootneurose als kerstcadeau kreeg. Niet dat ik het Unheimliche zie als een of andere zwarte wolk die effectief een duidelijke grens heeft, het is zowat een mistige samenvatting van mijn angsten en miserie. Als ik mijn atelier dan bekijk in functie van die mentale verkrachting, heb ik altijd dat gevoel proberen uitschreeuwen onder de vorm van een beeldenbraaksel. Op zich vind ik dat mijn dwangneurose geen essentieel onderdeel moet worden van mijn werk, wel van mijn werkproces. Mijn werk moet gaan over het gevoel, mijn ideeën en visies, mijn persoonlijkheid. En inderdaad, de dwangneurose is ook een deel van mijn persoonlijkheid, maar ik wil deze niet gaan beschouwen als een apart onderdeel of een soort object in mijn hoofd. Ik beschouw het eerder als een van de zovele slaven in mijn hoofd die in plaats van te helpen met het bouwen van mijn mentale piramide, wachten en ongemerkt 's nachts als een sluipende vos de stenen wat gaan verschuiven en zo nieuwe structuren creëren, met de nodige gaten en fragiliteit als gevolg. Mijn hoofdtombe.
Ik denk dat de relatie tussen het Unheimlich en Obsessief Compulsieve Stoornissen een eenzijdige relatie is. Een vage eenzijdige relatie, die soms tweezijdig kan worden. Ik denk dat het de vraag is wat eerst komt, dan erna, de kip of het ei? De haai of de haan? Het Unheimliche is er altijd geweest, dat is iets dat constant is en altijd zal bestaan, dwangneurose op zich niet, dat is een variabele factor die afhangt van mens tot mens. Iemand kan bijvoorbeeld Unheimlich werk maken en toch geen dwangneurose hebben.
Maar iemand met dwangneurose is juist ten onder gegaan aan het Unheimliche en kent de ervaringen als geen ander. Dus zal hij/zij veel waarschijnlijker Unheimlich werk maken. Volgens mij is dit de meest directe en logische relatie tussen beiden. Omdat de dwangneurose altijd de persoon confronteert met zijn angsten, met het Unheimlich dagelijks leven. Hierdoor kan dat moeilijk genegeerd worden en zit dit direct of indirect in zijn werk. Kunst is op zich een kijk op de kunstenaar zijn ziel (in mijn visie, goede kunst). Dus sowieso zullen die angsten tevoorschijn komen, en zal zijn werk direct of indirect door die ondergrondse angstwormen een Unheimlich karakter krijgen.
Die klotewormen. Laten we ze uitmoorden.
8.
Om over die wormen verder te blijven praten, ooit dacht ik, ik als onwetende kleine drol dat ik effectief versteende wormen had gevonden. Zie deze foto, hierin zie je dus die zogezegd klootwormen die ik versteend had teruggevonden. Ongelofelijk veel had ik er. Ik was namelijk een soort Indiana Jones die op zoek ging naar de versteende tijden. Daar haalde ik mijn bevrediging uit, ik, het twaalfjarig seksloos kindje. Versteende organismen die ooit ook de heilige slachtgemeenschap beoefenden en het uiteindelijke resultaat hiervan waren. Liefde, leven en dood, wat anders puur is er nog?
Fossielen, op zich gewoon stenen. Maar natuurlijk, zet ze in één of ander museum met één of andere ervaren grijsaap. Die Payne-grijsaap vertelde één of ander mythologisch verhaal over die ene idiote oerzeekrab die besloot op die lege kale plek dood te gaan in de oer-Noordzee. Uiteindelijk wist die krab niet dat hij gesteend in de glazen kast van een museum ging liggen, en die klootgrijsaard zijn levensverhaal ging samenvatten tot de woorden: “mensen, dit is een fossiel”. Punt.
Zo is het natuurlijk niet voor mij, mijn fossielen ( met de nadruk op mijn ) zijn schatten. Niet dat ik ze in mijn schatkist leg, maar in zekere zin liggen ze toch in mijn hoofdschatkist. Ik heb ze gevonden, uitgegraven uit hun aardegraf. Ze zijn dat deel van de geschiedenis dat ik bescherm tegen de vernietiging door het in mijn handen te houden tot ik zelf de vernietiging onderga. Ik heb al verteld over het gevoel van een versteende anus in uw handen te houden. Gevoel, daar gaat het over, je voelt ook effectief de structuur en textuur van dat ene fossiel. Dat maakt het juist zo mooi, het gaat niet over een of ander darwiniaanse ets van een dodo. Het gaat over de effectieve dodo die in uw handen dood ligt en de kracht mist om dwaas rond te dwalen. Het is een zekere macht die je krijgt over de tijd. Jij/ik bezit dat idiote steentje dat miljoenen jaren geleden ooit een venusschelp was, en nu nog altijd als beeld en vorm blijft bestaan. Hierbij kom ik terug op de één van de algemene angsten van de mensen. TIJD. Elke second gaat voorbij, verloren of niet, zelfs nu. U leest deze woorden, u maakt van deze woorden relaties genaamd zinnen. En telkens u een vijftal woorden leest, steel ik toch één seconde van uw leven. Uiteindelijk steel ik uw kostbare tijd om mijn woorden gezegd of gelezen te krijgen.
Mensen zijn bang voor tijd, omdat het bepalend is, iedereen sterft rond zijn tachtig, iedereen word geboren na negen maanden, een aflevering van House MD duurt ongeveer 44 minuten. Alles is tijdsgebonden, en juist het woord gebonden speelt hierin het grote spel. Iedereen zit vast aan tijd, nu is het 3u54. De alarmklok van de dood, de eerste genadeslag van de geboorte. Het einde des tijds.
Dit alles zeg ik om aan te tonen dat een fossiel tijdloos is. Inderdaad, de tijd heeft natuurlijk zijn invloed gehad. Anders zou die kreeftkoala nooit in een marmeren keukenaanrecht beland zijn, maar vanaf Dirk (naam van koala) versteend is, heeft tijd niet zoveel invloed meer op hem. Steen is een van de tijdloze materialen. Het is onsterfelijk in zekere zin. Onsterfelijk tegenover ons, het menselijke rasje. Daarom, toon respect tegenover mijn almachtig marmer, huisvrouwtje.
Om het even over kunst te hebben, want ja hoe kan ik mezelf anders een kunstenaar noemen. Er komen enkele voorbeelden in mijn hol hoofd. Het eerste oervoorbeeld is natuurlijk Anselm Kiefer, die zijn werk onsterfelijk maakt, door de geschiedenis, door de textuur, door de kleuren. Het werk is tijdloos. Het zijn kunstmatige fossielen. Een ander kunstwerk zijn de slaven van Michelangelo, die zich proberen los te wrikken uit de steen waaruit ze gehouwd zijn. Voor mij moeten de beelden een oerheid bevatten, een primordiale grom van het beest dat wij geschiedenis noemen. Maar ok, misschien schrijf ik nog verder over kunst, in de verre woordentoekomst die u tegenmoet staat.
Even terzijde, en totaal niet terzijde, mijn verhaal van het vinden van mijn Rugosakoraal.
Als kleine dwergmens ging ik elke zomer op reis met mij grootouders in de Eiffel. U kent het wel, van die landschappen die vaak terugkomen op die schlagerfesten op Duitse TV. Naarmate mijn interesse begon te groeien, eiste ik drievierde van de vakantietijd op, om te zoeken naar fossielen. Het zoeken naar fossielen is spannend, uw ogen moeten getraind zijn, uw hoofd moet klaar zijn alles te filteren dat niet fossielig is. Mijn Rugosakoraal heb ik gevonden op weg naar de grote fossielenzoekplaats, een steengroeve in Kerpen. Die dorpsnaam blijft tot deze seconde nog altijd in mijn hoofd gegrift. KERPEN. Bij deze, ik heb met de moderne technologie (Google Maps) het plekje, met name de steengroeve, voor de eerste keer sinds 11 jaar teruggezien, de tranen stonden in mijn ogen.
Ik liep dus langs dat onbenullig steengruis bestrooid zandwegje toen ineens mijn ogen vielen op een interessante steen. Nee, sorry, ik ga even onderbreken, terwijl ik dit schreef dacht ik terug aan hoe mijn grootmoeder het vertelde tegen mijn ouders, ik zal haar hierbij citeren:
“Dus we liepen gewoon naar die steengroeve, ik en Miel (grootvader) waren wa aan het praten. En ineens liep Kamiel naar de zijkant van het wegske en begon te kijken naar nen steen. Voor mij leek da gewoon ne domme steen, kzag er niks in.
Kamiel (Ja, dat ben ik, in mijn kindertijd deed ik Kamiel Spiessens na, mijn kindermuiltje was blijkbaar gemaakt voor die dingen, waardoor ik de nickname kreeg.) pakte die steen vast en begon het schoon te maken, en ja hij had weer ne keer een fossiel gevonden hé. En toen we terugkwamen int hotel en hij toonde die steen aan ne oude vent die ook met die dingen bezig was, die schrok hem te pletter. 350 miljoen jaar oud zei hij. Das wa hé.”
Eigenlijk weet u wat fossielen zijn? Laten we het even kort schetsen. Een vogel gaat dood, valt op de grond, na tijd van honderden miljoenen jaren komt er verschillende sedimentlagen bovenop, door de druk versteend het vogelendbeest, die sedimentlagen komen dan terugboven piepen, door het verschuiven van de aardplaten, en zo komt uiteindelijk die papegaai weer bovendrijven als een papegaaifossiel. Voilà.
Dus ja, hierbij kent u fossielen en de historie van mijn Rugosakoraal. Op zich, momenteel zoek ik geen fossielen meer. Hoewel de drang er is. Maar ik doet het op andere manieren. Ik heb een enorm verlangen oude dingen in mijn habitat te lokken en te bewaren tot ik ze later aan mijn gekloonde kindjes kan doorgeven. Zoals oude fotoalbums en foto’s. Gefossiliseerde beelden. Zelfs de meest idiote banale beelden. Bijvoorbeeld een wit kadertje met daarin een vergeelde foto van een schoothondje, of een oude foto van een onbekende pastoor. Ik hou ervan, het lijkt me logisch. Net zoals ik onbekende afstandelijke organismes zoals een hersenkoraal bij mij neem en bemin, doe ik hetzelfde met beelden. Enige regels die ik heb zijn: oud, tijd, versleten. Het moet geleefd hebben, letterlijk of figuurlijk.
De term gefossiliseerde beelden. Ik heb die uitgevonden, ja dat denk ik toch, het eikelige egotrippertje dat ik ben.
Wat zijn gefossiliseerde beelden? Dat zijn beelden die net zoals fossielen tijdloos zijn. Niet dat ze niet bepaald zijn door een tijdperk of tijdsgebonden techniek. Maar ze zitten vastgesedimenteerd binnenin hun foto-zijn. Laten we een een oude postkaart van Boekhoute-dorp hieronder nemen als voorbeeld.
Deze foto is een beeld genomen in de jaren stillekes van mijn klein dorpje, Boekhoute. Dit is een gefossiliseerd beeld. Waarom? Ten eerste, alles zit vastgeroest in die ene momentopname dat men een foto noemt. Die mensen zullen voor eeuwig op hun plekje blijven staan. De zon zal niet verder zoeken naar de andere kant van de aarde. De tijd staat stil.
Ten tweede, je zit met de geschiedenis die vast zit, het leven van die tijd zit gevat in het beeld, en kan niet loskomen hoe dan ook. Als je de geschiedenis van dit organisme vernietigt, vernietig je het fossiel zelf. Er is geen omweg hierin.
Ten derde zit je natuurlijk ook met het idee, dat ik, de zoeker van de zinloze geschiedenis, dit beeld terugbreng in onze tijd. Ik haal het beeld vanonder uit de talloze troep van ons historisch huisvuil en geef het een sokkel waardoor het terug leeft in zekere zin. Hierbij komt mijn volgende vraag voor mezelf: Wanneer kan men een beeld gefossiliseerd noemen? Uitgaande van het idee dat dit beeld waarschijnlijk meer dan 80 jaar oud is. Kan een foto die ik gisteren genomen heb ook gefossiliseerd genoemd worden, of moet eerst de tijd zijn eroderende erotiek op het beeld loslaten om uiteindelijk binnen een aantal decennia belangrijk geacht te worden? In mijn ogen zit het zo, tijd moet voorbij gegaan zijn. De clichézin zegt het zelf: “Men kan pas echt iets appreciëren als men het kwijt is”. Dus dit beeldend fossiel is de herinnering aan datgene dat men ooit had, maar nu leeft in een materieel-beeldende vorm. En natuurlijk als ik met dit gedachtengoed verderga, wordt het onmogelijk effectief fossiel werk te creëren. Want hoe kan ik deze eigenschappen in een werk steken, zonder effectief de waarheid van het werk in vraag te stellen? Hierbij kom ik terug bij Kiefer. Kiefer slaagt in sommige werken erin om de bricolage te vergeten en effectief de onderliggende grom door te geven in de zachte oortjes van de toeschouwende mensjes. Het moet een natuurlijk fenomeen zijn, vanzelfsprekend in zekere zin. Als die ene neushoorn in Kenia die al jaren een hoedje draagt. De ervaring van het zien moet overtuigend zijn.
9.
De kunstenaars waar ik van hou (Kiefer, De Cordier, enzoverder) geven me vaak diezelfde ervaring bij het bekijken van hun werk. De sublieme ervaring. Eerlijk gezegd, dit klinkt vrij bekakt tegenover de effectieve gevoelens die ik ervaar terwijl. Maar ah, is iemand er ooit effectief in geslaagd om zijn emoties zo duidelijk te vertalen dat alle vraagtekens gered werden van het uiteindelijk verderf des tijds. Emoties zijn subliem, men kan ervoor symbolen vinden of effectief woorden (zoals verdriet, liefde, u weet wel). Maar emoties zijn een onmeetbaar fenomeen, men ervaart het soms als de tsunami die de golven weemoed stuurt richting uw ogen, men ervaart het als dat vuur dat uw binnenste verteert terwijl u bij u geliefde ligt. Het zijn de ongrijpbare basilieken van ons bewustzijn. Emoties zijn sublieme hoofdluizen. Het sublieme is een term die enkel tot doel heeft om emotie en motief in natuur en landschap onder woorden te brengen, het is niet enkel het cliché beeld van de man in de mist die eenzaam boven de bergen staat. Het sublieme is in de tijd meerdere metamorfosen ondergaan en heeft meer gelaagdheden dan datgene van Friedrich.
Binnen de kunstfilosofie staat het begrip ‘subliem’ op gelijke voet van oudere begrippen: mooi en pittoresk, wat ik op zich echt kutwoorden vindt om effectief een beeld te vertalen naar woorden. Deze begrippen overlappen elkaar deels, hoewel er enig verschil zit in de manier hoe ze gebruikt worden. Het mooie en pittoreske worden vooral gebruiken om een soort van harmonieuze eigenschappen te beschrijven, subliem wordt eerder gebruikt om conflicterende eigenschappen te beschrijven. Het is juist dat conflict waardoor men inzicht krijgt waarom wij in onze tenger lijfje zo beroerd geraken door het landschap of natuur. In de geschiedenis is het onderwerp van de lijfroering, het conflict telkens verschoven, het is verbreed om de over verschillende culturele ontwikkelingen te kunnen blijven reflecteren, zoals bv. op filosofisch vlak (Zoals Nietsche, Kant,…)
Het sublieme wordt een soort meter, als een soort thermometer voor de dynamiek en complexiteit van een tijdsperiode of tijdsgeest. Ook speelt hierbij het landschap natuurlijk ook een belangrijke factor, een landschap verandert doorheen de tijd, erosie, steden komen op, overstromingen enzoverder. Ik zal deze term, het sublieme, kort proberen plaatsen in de geschiedenis. Vergeet het mooie en pittoreske, wat een idiote-bambi-bloemetjes-woorden. En vergeet eigenlijk de tweehonderdtweeënveertig woorden hiervoor. Mijn sublieme saus: Voor mij is iets subliem vanaf het alles of niets (niets? Geen idee, moet ik over nadenken) overstijgt. Bijvoorbeeld een fossiel dat effectief de grenzen van tijd overheerst, als beeld, als object. Of bijvoorbeeld een schilderij van Kiefer, dat met zijn oerbeelden een ongrijpbare en overweldigende beeldenwereld schept. Of de sublieme mythologie van De Cordier. Op zich genoeg voorbeelden. Hoe kan ik me het sublieme voorstellen in een beeld? Ik zat juist te denken met mijn garnaalhoofdje, stel dat men effectief zou kunnen voelen in de massa hoe oud een fossiel is, dan zou men effectief de zwaarte van het sublieme voelen. Net zoals het gewicht van een Kiefer-werk (omgezet in bv vetkilo’s) genoeg zal zijn om Afrika te voeden (of toch een klein deel). Mocht dat ongrijpbare grijpbaar worden, zou het dan niet nog altijd ongrijpbaar zijn? Als we ooit het heelal kunnen begrenzen, zouden we dan niet enkel een klein grensdeeltje zachtjes strelen in plaats van het totaalbeeld te kunnen nemen, verkrachten en verteren. En inderdaad in die zin is een woord zoals subliem te vergelijken met een woord zoals liefde. Beide betekenen heel veel, of juist niks, ze zijn onbegrensd in hun betekenis maar toch krijgen ze die motherload aan informatie met zich mee.
Om terug te keren op het niets, inderdaad dat is ook subliem, een zwart gat, dat is het niets, dat slorpt het alles op. Ik wil hier natuurlijk niet te ver in gaan, puur om mezelf niet uit te moorden door het onderzoeken van een zwart gat. Maar het niets is ongrijpbaar. Het niets en het alles. Wat een prachtig poëtisch koppel toch.
10.
Niets of alles, gelukkig zit het leven zo niet in elkaar. Mijn dokter heeft me verteld te stoppen met roken, de schoorsteen die ik zwoegend zelf gebouwd heb blijkt niet goed te zijn voor mijn lijf. Johan de Heler zei dat als ik bleef leven in de mist, mijn leven wel in de volgende 680 woorden voorbij kan zijn. Ah, wat is het toch kort het leven. Elke minuut kan mijn laatste zijn. Ik zal schrijven alsof het de laatste woorden zijn dat u ooit zal lezen, de laatste woorden die via mijn steenhoofd gestuurd worden naar die eeltvinger waarmee ik het klavier grondig bevredig. Hoe was mijn leven tot nu toe eigenlijk? Heb ik effectief niks anders te vertellen dan over het unheimliche, het sublieme en dwangneuroses? Soms vraag ik me af of er geen geheel is waarin deze dwergpony’s passen, natuurlijk ja het kutcliché antwoord is: ik. Maar wie ben ik nu weer? Ah, het doet er niet toe, straks is het allemaal voorbij en ga ik slapen. Begraaf mij maar met de fossielen die ik ooit zo liefhad, zodat ik ooit misschien dat sublieme steentje kan worden in uw hand.
Natuurlijk valt alles tezamen tot één, ik ben het. Ik zit hier mijn hoofdspurten te noteren, ik zit hier interessant te wezen. Laten we het vertalen in een fictief personage: Roger de fossielgarnaal, die een dwangmatige zoektocht houdt naar zijn verloren sublimiteit in zee. Ah, het doet er niet toe. Er moet toch één woord zijn dat dit alles kan samenvatten, of toch enkele woorden die alles zeggen. Ik denk bijvoorbeeld aan poëzie, hoewel ik soms echt dat woord kan haten, maar echt haten. Poëzie doet me denken aan die blijtklootzakken, die denken door enkele woorden in verband met liefde tezamen te gooien, ze poëzie maken. Maar zo zit het niet, het gaat niet echt over de poëzie, maar het poëtische in iets. Ik heb een idee, ik ga gewoon simpelweg wat beschrijvende woorden opschrijven en zo uiteindelijk heel dit gedoe samenvatten.
Poëtisch, Ruw, Oud, ja, na hier een kwartier lang na te staren hou ik het hierbij. P R O. Man, wat voel ik me kut. Mijn maag probeert zich een weg uit mijn lijf te branden, mijn ogen willen zichzelf begraven in mijn muil, en mijn hele lijf voelt vuil en moe aan. Die klootzakkerige angstwormen vallen toch wel binnen nu, fuck man, wat is er gaande met mij? Ik ben die ruwe oude egoïstische kloothommel geworden, net zoals die ene man op de tram die zijn lama wurgde. Mijn maagsappen leiden hun eigen leven naar mijn mond toe, wat valt eraan te doen. Het vergeten eten.
Ik ben beschimmeld, de kloven in mijn bakkes graven hun weg dieper en dieper, mijn lijf is oud en schreeuwt voor verlossing, maar waar zit die klotepoëzie dan? Misschien moet ik effectief de ultieme schrijfzelfmoord plegen, en uw heilig hartje verwarmen met een liefdesgedichtje?
Het lijkt wel of t gister was die dag
Die avond in dat café dat ik je voor de eerste keer zag.
Het was mijn meissie daar op die kruk
Die kanjer met die lieve lach.
Ik wist het toen zeker, deze egel op een kruk
Die mijn hele lijf laat gloeien
Daarbij vind ik het geluk.
In voor en tegenspoed
Ziekte of pijn
Rijk of arm
Altijd zal ik jouw rots in de branding zijn.
Je gezondheid is voor jou een grote zorg
Die kost je menig traan
Maar samen slaan we ons daar door
Echt, wij kunnen alles aan.
Ooit hoop ik dat je bij me komt en zegt ik ben eruit,
Ik wil ook samen met jou zijn
Twee handen op 1 buik.
Jij bent de spil waar het om draait,
De Roos in mijn boelet
Zoals je bent ben je perfect
Mijn maatje voor altijd
Echt, iedere dag bedenk ik me even
Dat ik voor jou mijn leven zou geven
Al lijkt de wereld soms zo grauw
Ellende overal
1 Gedachte aan mn kanker maakt alles weer goed
Lieverd, ik hou van jou
Vaarwel lieve mens, dank u om mijn woorden te laten kruipen in uw koude kijkers, dank u om soms toch uw mondhoeken wanggericht te laten gaan. Laten we hopen dat dit niet het einde is, maar enkel een overgang. Dat mijn grauw heiligbeentje ooit in de handen komt te liggen van een kind, die dat stervend stilleven bewaart tot zijn vernietiging.
Vaarwel.
Abonneren op:
Posts (Atom)
